'Maar ik houd zoveel van je, zei zij dan weer, zoveel, dat ik niet zonder jou kan leven, weet je? Soms brand ik van verlangen om je te zien en word ik verteerd door liefde. [...]' Deze woorden had hij al zo vaak gehoord dat ze niets meer voor hem inhielden. Nu de bekoring van het nieuwe langzamerhand van hem afgleed, kwam de eentonigheid van de hartstocht bloot, die altijd dezelfde vorm heeft, dezelfde taal spreekt. [...] niemand kan ooit de juiste maat aangeven van zijn verlangens, van zijn denkbeelden noch van zijn smarten; het woord van de mens is als een gebarsten ketel waarop je een wijsje tromt dat nog net een beer aan het dansen krijgt, terwijl je de sterren zou willen ontroeren.
Uit: Madame Bovary – Gustave Flaubert